Rome, augustus 39 n.Chr. De hitte ligt als een deken over de Eeuwige Stad, maar gevaarlijker dan de zon is de waanzin van de keizer. Wanneer de machtige senator Publius Varro dood wordt aange
Rome, augustus 39 n.Chr. De hitte ligt als een deken over de Eeuwige Stad, maar gevaarlijker dan de zon is de waanzin van de keizer. Wanneer de machtige senator Publius Varro dood wordt aangetroffen in zijn privébadhuis, staat Rome voor een raadsel: zijn keel is doorgesneden, maar er wordt geen wapen in de kamer gevonden. De enige deur is van binnenuit zwaar vergrendeld en de ramen zijn gebarricadeerd. Slaven fluisteren over de toorn van de god Janus, maar Faustus Aurelius Catus gelooft niet in spoken. Catus, een quaestor met een scherp verstand en een voorliefde voor logica, krijgt van keizer Caligula de persoonlijke opdracht om de zaak op te lossen. De inzet is enorm: Caligula wil Varro's fortuin erven en eist een dader. Hij geeft Catus drie dagen de tijd. Als hij er niet in slaagt een moordenaar te vinden, zal hij zelf voor de leeuwen in de arena worden geworpen. Samen met Milo "Vespa", een cynische satiricus die de smerige geheimen van de Subura beter kent dan wie ook, stort Catus zich in een labyrint van leugens. Het spoor leidt naar een rouwende nicht, een koelbloedige vastgoedbeheerder en een spookachtige minnaar die niemand ooit heeft gezien. In een race tegen de klok moet Catus bewijzen dat de perfecte misdaad niet bestaat – voordat de keizer zijn eigen bloedige oordeel velt. "In Rome leiden alle wegen naar de waarheid – of naar de arena." "Drie dagen om een onmogelijke misdaad op te lossen. Een leven lang spijt."